Stil ligt ze in haar bedje. Ze durft bijna niet te bewegen, bang als ze is om gehoord te worden. Beneden zijn papa en mama weer aan het ruzie maken. En natuurlijk, denkt ze, gaat het weer om haar. Zij heeft natuurlijk weer wat fout gedaan. Want papa en mama zijn niet boos op elkaar, kunnen natuurlijk niet boos op elkaar worden. Zij houden van elkaar. Dat zeggen ze steeds tegen haar. En nu is papa weer boos op mama. Omdat mama haar niet genoeg straft. Maar daar kan mama niets aan doen. Dat was zij, in die winkel, die op de grond ging liggen huilen, omdat ze niet dat lekkere snoepje kreeg. En mama had toch dat reepje aan haar gegeven en nu is papa boos op haar. En dat is niet eerlijk. Maar het is ook niet leuk voor papa, bedenkt ze. De hele dag heeft hij op zijn werk gewerkt. En nu is hij thuis en dan is er ook weer iets gebeurd wat niet goed is. En niet leuk. Want papa heeft het steeds erg druk op zijn werk. Moet heel veel doen en daar wordt hij heel erg moe van. Dat zegt hij steeds tegen haar. Want als ze dan vraagt of hij met haar wil spelen dan is hij te moe en dan wil hij niet. Maar dat geeft niet, vindt ze, want hij hoeft niet nog meer moe te worden.
Ze hoort dat mama moet huilen. Heel erg hard huilen. En dan zegt papa dat ze dat niet moet doen anders hoort zij het boven. Zelf kan ze niet meer huilen. Ze hebben zo vaak ruzie dat ze het eigenlijk niet meer zo erg voor haar vind. Alleen nog voor papa en mama. En ze is ook een beetje bang. Want ze wil niet dat ze uit elkaar gaan. En als ze het niet zo goed hoort dan is het er misschien ook niet. Of misschien wel niet zo erg.
Plotseling is het stil. Heel erg stil. Ze hoort alleen mama nog een beetje snikken. Maar dat is ook heel moeilijk. Ineens moeten stoppen met huilen. Dat kan zij ook niet. En dat wordt papa nog bozer op haar. Maar hij weet zelf niet hoe moeilijk dat is. Want hij doet het zelf nooit. Huilen. Papa’s huilen toch niet, gekkie. Ze verwijt het zichzelf dat ze dat denkt. Ze vindt het altijd raar dat grote mensen zo snel weer kunnen stoppen met schreeuwen en vechten. Dan is het ineens helemaal stil. Als zij met haar buurmeisje ruzie maakt dan gaan ze heel lang door. En dan gaan ze ook boos naar huis. Vaak moet haar buurmeisje huilen. Maar dat kan ze niet meer. Vind ze een beetje kinderachtig. Ook van mama. Zo erg is het toch niet. Want nu zijn ze alweer stil. Dus een hele erge ruzie hebben ze niet gehad. Het lijkt wel alsof ze ineens geen woorden meer kunnen vinden. Nou, dan moet zij eens wat fout doen zeg. Dan praten ze maar door. Dan hebben ze genoeg woorden om tegen haar te zeggen hoe stom ze is geweest. En hoe dom ze is geweest. En hoe erg het is voor papa en mama dat ze dat heeft misdaan. Want daarmee doe ik ze heel veel verdriet. En dat moet ik niet willen zegt papa altijd. En nu heb ik mama verdriet gedaan en dus ook papa een beetje.
Ineens bedacht zij zich dat zij morgen maar even met papa moest gaan praten over wat er was gebeurd in de winkel. Dat zij mama verdriet had gedaan en dat mama daar niets aan kon doen, eigenlijk. Dus dat papa niet boos moet zijn op mama. En dan hoeven ze geen ruzie meer te maken.
Voldaan over hoe ze dit zou gaan oplossen draaide ze zich om en sloot haar ogen. Morgen zou ze met papa praten. Morgen zou alles anders worden.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten